De oorsprong

Er doen vele verhalen de ronde over het ontstaan van de dartsport. Bijna bij ieder verhaal geeft de schrijver vlot en gul toe niet te weten of zijn verhaal helemaal klopt. Maar ik heb nog nergens een versie gelezen waarvan ik denk: “Dit zou wel eens heel dicht bij de waarheid kunnen zijn…”.

Ik heb onderstaande versie gehoord van een engelsman die ik ontmoette in Almelo, waar een darttoernooitje was georganiseerd. Deze man had een set pijlen waarvan het uiterlijk, de lengte, het gewicht zó opvallend waren dat ik wel móest vragen wat hij daar had. Het waren pijlen van ongeveer 20 centimeter lang met een houten, druppelvormige ‘grip’ met uit hout gesneden shafts waarin eendeveertjes waren gestoken. De houten grip was verzwaard met een loodkogeltje, zo vertelde hij.

Hij liet ook niet onvermeld dat ze met de hand waren gemaakt en dat kon je zien: ze waren niet alle drie precies hetzelfde. Hoe oud ze exact waren kon hij me ook niet vertellen. Hij had ze ooit eens gewonnen tijdens een darttournooi in Engeland.

Ik heb de pijlen met bewondering staan bekijken en me daarbij tevens afgevraagd of je wel drie van dit soort pijlen in de triple 20 kon krijgen. Hij beweerde van wel. Ik heb het die avond echter niet zien gebeuren.
 
Toen kwam het interessante van het verhaal. Hij vertelde me dat het ‘crossbow arrows’ (kruisboog pijlen) waren. Hij ging zijn uiteenzetting verder met: “In de riddertijd gingen ridders en hun gevolg jagen met kruisboog en honden. Ze schoten zittend op hun paard op fazanten, patrijzen, eenden en ganzen, waarna de honden het aangeschoten wild gingen ophalen.”boog
 

Het mag duidelijk zijn dat alleen de rijke mensen een kruisboog konden betalen. Maar hoewel de kruisboog een voor die tijd zeer geavanceerd wapen was, schoten deze jagers natuurlijk niet altijd raak.  Echter, omdat ze toch rijk genoeg waren en op hun kasteel toch mensen aan het werk hadden die pijltjes maakten, hoefden ze niet op een pijltje meer of minder te kijken. Het gevolg was dat er na zo’n jachtpartij altijd pijltjes in het bos waren te vinden, vooral als de ‘heren’ voor de jacht het een en ander aan alcoholische dranken ter ondersteuning van hun moed en genot hadden genuttigd. Daardoor werd het aantal rake schoten natuurlijk sterk gereduceerd.

Dat werd dan weer de ‘jacht’ van de armere bevolking: pijltjes zoeken. Zij waren dan wel niet in het bezit van een kruisboog, maar met een beetje oefenen kon je met de hand toch ook wel op zo’n vogel gooien.

Dat oefenen deden ze natuurlijk in de herberg waar voldoende vaten tegen de muur lagen om op te oefenen. De rest laat zich natuurlijk gemakkelijk raden: er werden wedstrijdjes georganiseerd om het oefenen te stimuleren, waaruit de dartsport is voortgekomen.

Ik vond dit een mooie versie van een verhaal over het ontstaan van de dartsport. Later werd dit nog kracht bijgezet door het feit dat men in Vlaanderen de dartsport nu nog steeds ‘Vogeltjepik’ noemt. Dat zou erop kunnen duiden dat het ook in Vlaanderen voorkwam en dat door de Vlaamse traditie – het behoud van het nederlandse woord en begrip – de omschrijving aanduidt wat het werkelijk was: met de hand op vogeltjes gooien.

En ik zie dat al voor me: je hoort geritsel in de struiken, je sluipt naderbij en plots zie je hem: een schitterende patrijs! Je mikt recht vooruit. Je hand gaat omhoog en raak je bladeren aan. De vogel schrikt en schiet weg. Dan moet je snel gooien, alleen niet recht vooruit, maar naar rechtsboven of linksonder al naar gelang de richting waarin de vogel wegschiet.

Dat is de reden waarom ze bij het oefenen niet alleen maar naar het midden (de Bulls’ Eye) gooien, maar juist naar de rand: de dubbel. Pas als je dàt goed kunt heb je het spelletje gewonnen!

 

 

bron: gezondezaak.com